De Tweede Kamer debatteert vandaag over de uithuisplaatsing van kinderen van ouders die zijn gedupeerd door de toeslagenaffaire. Maar ook de gehele staat van uithuisplaatsingen en de jeugdzorg komt aan bod. Volgens experts schort er veel aan het huidige systeem.

Een rapport van onder meer de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen toont een ontluisterend beeld van de uithuisplaatsingen. Volgens het rapport staan minderjarigen en hun ouders zwak tegenover een machtig jeugdbeschermingsstelsel.

Ook heeft de persoonlijke mening van professionals een te groot aandeel in de besluitvorming over uithuisplaatsing en is er onder meer te weinig juridische bijstand beschikbaar voor ouders van kinderen die uit huis geplaatst worden. Het rapport benadrukt eveneens dat uithuisplaatsing vaak niet leidt tot de gewenste verbetering in de ontwikkeling van het kind.

“Het is een kapot systeem”, zegt Peer van der Helm, hoogleraar en lector Residentiële Jeugdzorg aan de Hogeschool Leiden en de Universiteit van Amsterdam. “Jeugdbescherming kampt met een enorm verloop. De afgelopen jaren zijn zo’n tweeduizend jeugdbeschermers vertrokken en steeds minder mensen moeten steeds ingewikkeldere zaken behandelen.”

In de praktijk komt het er volgens Van der Helm op neer dat rechters bij beslissingen over uithuisplaatsingen vaak luisteren naar argumenten van jeugdzorgmedewerkers. “Jeugdbescherming vindt vaak dat ouders geen contact met hun kinderen moeten hebben. Dat is niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wordt gepresenteerd als een feit”, zegt hij. “Ouders verliezen dan bijna altijd de rechtszaak, want geld om een eigen deskundige in te huren, hebben ze vaak niet.”

Daar komt bij dat hoe langer het duurt, hoe kleiner de kans is dat het kind terug naar huis kan keren, vertelt Joost Huijer. Hij doet op de Universiteit Utrecht onderzoek naar kinderrechtbescherming bij uithuisplaatsingen. Zelfs als ouders aantoonbaar voor hun kinderen kunnen zorgen, is het in veel gevallen te laat.

Huijer: “Dat is een hele harde beslissing. Een rechter kan dan zeggen: ‘Wij zien dat u uw leven de afgelopen jaren op de rit heeft gekregen, maar het kind is ook doorgegaan met leven en heeft elders een bestendige plek.'”

Beiden zijn het erover eens dat daarom de eerste periode cruciaal is. Voor Van der Helm staat vast dat het voor de kinderen en ouders beter is als zij gezamenlijk thuis intensief worden begeleid of als gezin tijdelijk uit huis worden geplaatst en dan op een andere locatie worden begeleid. “Die mogelijkheden zijn er, maar worden niet voldoende gebruikt.” Volgens hem is er bij jeugdzorg “een verandering van mindset nodig”.

Uitbreiding van het ondersteuningsteam (zie kader) voor alle ouders met uithuisgeplaatste kinderen zou een mogelijkheid kunnen zijn, zegt zowel Van der Helm als Huijer. Maar zij waarschuwen wel dat daarvan geen wonderen verwacht moeten worden. Huijer: “Dit ondersteuningsteam heeft geen formele bevoegdheden. Het kan een luisterend oor bieden, maar heeft niet de mogelijkheid om een kind weer naar huis te krijgen.”

Van der Helm pleit voor een team met meer mandaat. “Het huidige ondersteuningsteam moet tegen het systeem in werken. Ze hebben te maken met jeugdbescherming die zegt dat dingen niet kunnen en met de kinderbescherming die zegt dat het niet kan. En naar die twee partijen luistert de rechter. Zie de rechter dan maar te overtuigen.”

Van der Helm ziet het debat in de Tweede Kamer vooral als “nogmaals een erkenning voor ouders”. Hoewel hij niet verwacht dat er veel uit zal komen, blijft hij wel hoopvol. “We hebben nog niet te maken met een verloren groep ouders en kinderen. Je kunt het altijd terugdraaien. Er is bij mijn weten geen enkel bewijs dat het slecht zou zijn om een kind weer bij de ouders te plaatsen. Zeker bij kinderen zijn hersenen heel plastisch en is herstel mogelijk.”