Schoolleiders en onderwijskundigen vinden het goed dat er plannen zijn om de basisvaardigheden van leerlingen op te schroeven, door daarop te focussen. Maar ze zetten ook veel vraagtekens bij de plannen van minister Wiersma (Primair en Voortgezet Onderwijs) om daarvoor ‘hulpteams’ op scholen te laten helpen.

Dat het initiatief zich niet richt op expertise en scholing, maar vooral op ‘handen en tijd’, waarbij mensen van buitenaf kunnen helpen, vinden schoolleiders positief. Wel hebben ze zorgen over de implementatie en de kwaliteit.

“Je bent niet geholpen als adviesbureaus komen invliegen en weer wegvliegen. Dan zijn de leerlingen van dit jaar geholpen, maar de volgende niet”, zegt een woordvoerder van de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS).

“Een nobel initiatief van de nieuwe minister”, vindt onderwijskundige Luce Claessens (Universiteit Utrecht). “Maar het klinkt als een heel snelle, technische oplossing waarvan ik denk: is dat wat we nodig hebben?”

Claessens vraagt zich af of het aansturen van die extra handen niet juist extra werkdruk creëert. Dat is volgens de minister overigens nadrukkelijk niet de bedoeling. “Het gaat hier om echte hulp en handen bij het werk in de school, bij de plannen van de school zelf en onder regie van de school zelf”, schrijft Wiersma aan de Tweede Kamer.

Ook vraagt Claessens zich af of de twee jaar waarin de minister de jarenlange terugloop van de basisvaardigheden “een halt toe wil roepen”, haalbaar is. “Goed nadenken over waar de behoefte ligt en goed kunnen kijken naar het aanbod, kost tijd voor schoolleiders en schoolteams. Het raakt ook aan de visie die je als team hebt op onderwijs. Ik vraag me af of scholen nu tijd hebben om hier visie op te ontwikkelen.”

‘Uurtje leerkrachttijd schaars goed’

Waar de mensen voor de hulpteams vandaan moeten komen op deze krappe arbeidsmarkt, waar ook veel vacatures voor onderwijsondersteuners zijn, weet het ministerie nog niet. Claessens waarschuwt in ieder geval om geen leraren aan het onderwijs te onttrekken. “Voor sommigen kan het een aantrekkelijkere functie worden. We moeten geen leraren het beroep uit trekken.”

Omdat het lerarentekort zo groot is, is het goed als taken uit handen worden genomen, vindt hoogleraar Onderwijswetenschappen Martijn Meeter (Vrije Universiteit Amsterdam). “Langzamerhand wordt elk uurtje leerkrachttijd een schaars goed dat je optimaal moet inzetten.” Ook met het idee dat leraren zich richten op basisvaardigheden, en niet op allerlei andere pedagogische opdrachten en doelen, is hij het eens.

Wel vindt hij het jammer dat het aantal basisvaardigheden is verdubbeld van twee naar vier: digitale geletterdheid en burgerschap zijn bij taal en rekenen gekomen. “Allebei belangrijk, maar minder essentieel binnen het primair onderwijs omdat ze makkelijk te repareren zijn in het voortgezet onderwijs. Bij lezen en rekenen geldt dat minder: het voortgezet onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen dat na de basisschool gewoon kunnen.”

Voorlezen in de bibliotheek

Wat lezen en rekenen betreft zijn er grote verschillen tussen scholen, met leerlingen die al dan niet thuis hulp krijgen en gestimuleerd worden. Volgens Meeter is het voor de meeste leerlingen haalbaar om het basisniveau te halen, als er maar kan worden gefocust.

Het echte probleem is het lerarentekort, maar zo’n hulpteam kan helpen, denkt onderwijskundige Barend Last (Universiteit Maastricht). Bijvoorbeeld door ruimte te scheppen voor leraren als iemand anders een groepje meeneemt naar de bibliotheek en gaat voorlezen, of een groepje extra instrueert. “Leraren zijn nu alleen maar aan het overleven. Dit kan een tijdelijke impuls zijn totdat het lerarentekort goed is aangepakt.”